Willem Kloos, Regentesselaan 176

Willem Kloos was ooit een belangrijke dichter in ons taalgebied en als mens diepzinnig: “Ik ben een god in 't diepst van mijn gedachten.” . Zouden er nog veel mensen zijn die hem lezen? Zijn sonnetten zijn, als je ze leest, eigenlijk nog springlevend. Voorbeeld.
En wachten roerloos den nabijen winter.
Wat is dat alles stil, doodstil... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.
Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen:
De dode bloemen keren niet weerom,
Maar Ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen.
Desondanks is zijn leven (1859-1938) niet echt gelukkig te noemen. Vooral zijn latere leven, juist dat op onze Regentesselaan, moet nogal akelig geweest zijn: na de droom van een groots en meeslepend kunstenaarschap, 'het feest van de Tachtigers', zijn leidende rol daarin, de teleurstellingen en de langzame onttakeling van de mythe. Gelukkig werd hij nog regelmatig gehuldigd, want verder was hij de laatste 38 jaar van zijn leven niet veel meer dan een schim van de succesvolle kunstenaar van vóór 1900. Zijn vrouw, Jeanne, was ook schrijfster, en had nog succes ook. Was dat wrang voor hem?
De plaquette is van Fransje Carbasius, beeldhouwster
Jan Borman (geboren 1928), oud-bewoner (1931-1955) van Regentesselaan 169, schuin tegenover nr. 176 meldt nog over Kloos: "Net als Carmiggelt herinner ik mij Willem Kloos, anno 1937 lopend over het middenpad (schelpenpad) van de Regentesselaan. Grote gebogen gestalte, beetje sloffend, donkere lange jas, zwarte bolhoed, kartonnen koekjesdoos in zijn hand. "Van Jamin", zei mijn moeder. In 1938 stond de lijkwagen bij ons voor de deur en ik las op het lint aan de krans van zijn vrouw Jeanette: "Aan mijn lieve man".


